Informatie over dichtvormen

De spelregels van elke dichtvorm staan hieronder vermeld. Het is beslist niet nodig om te gaan rijmen, want dat maakt de opdracht alleen maar moeilijker!

 

ELFJE

Een elfje is een gedicht van elf woorden.

Regel 1 bestaat uit één woord : een kleur of een treffend bijvoeglijk of zelfstandig naamwoord (die past bij de rest van het gedichtje).

Regel 2 bestaat uit twee woorden : een ding, mens of dier.

Regel 3 bestaat uit drie woorden : een mededeling over het ding, de mens of  het dier in regel 2. Regel 4 bestaat uit vier woorden : beschrijven wat er met het ding, de mens of het dier in regel 2 gebeurt.

Regel 5 bestaat uit één woord : een treffende afronding of samenvatting van alles.

 

 

Zwart                          Machtig                                   Voorover                                  Regen

Mijn zwembroek           De zee                                     In storm                                  Naar school

Ik ga zwemmen Met veel golven                        Dakpannen vliegen rond           Helaas geen regenpak

Ik trek hem aan            Een bootje danst erop              Takken knappen van bomen      Water in mijn schoenen

Plons!                           Eenzaam                                  Auw!                                        Kletsnat

 

 

         

HAIKU OF TANKA

Een haiku of een tanka is een Japanse dichtvorm, waarin meestal een ervaring of waarneming in de natuur tot uitdrukking wordt gebracht. Het zijn lettergreepgedichtjes.

 

Haiku : aantal regels = drie en aantal lettergrepen = 17.

Lettergreepschema : 5 – 7 – 5. Geen eindrijm.

Tanka : aantal regels = vijf en aantal lettergrepen = 31.

 Lettergreepschema : 5 – 7 – 5 – 7 – 7. Geen eindrijm.

 

 

haiku                                                               tanka

 

Luister de regen                                              Op het tuinpad dood

Klettert tegen de ruiten                                   Daar lag ze bij het hekje

Kijk tranen druipen                                         Heel stil of ze sliep

                                                                       Dag lieve kleine veldmuis

                                                                       Rust in vrede en slaap zacht

 

 


RUITGEDICHT

Een ruitgedicht heeft de vorm van een ruit en zeven regels.

 

Regel 1 : één woord - het onderwerp van het gedicht

Regel 2 : twee woorden - bijvoeglijke naamwoorden die iets zeggen over het onderwerp

Regel 3 : drie woorden - tegenwoordige deelwoorden

Regel 4 : vier woorden - die bij het woord van regel 1 passen

Regel 5 : drie woorden - die de toon en sfeer in het gedicht veranderen

Regel 6 : twee woorden - bijvoeglijke naamwoorden

Regel 7 : één woord - dat een tegenstelling aangeeft van het eerste

 

                                           zomerzon

                                                heet            brandend

                                         luierend  zwemmend  zwetend

                                           zee  golven zonnestralen strand

                                              onweer   bliksem   BOEM !

                                                 kletsnat     rillend

                                                       regenbuien

 

 

TRIOLET

Een triolet is een refreingedicht van acht regels. Regel 1 waarmee je opent, wordt in regel 4 en 7 herhaald; regel 2 en 8 hebben dezelfde vorm en inhoud, maar zijn anders dan regel 1, 4 en 7.

 

Het mooie in een triolet                                   Als ik een zeepaardje was

Is dat alles klopt                                             Dan was de zee mijn land

Zoals het moet, daar zit nu net             En had ik alle vrijheid

Het mooie in een triolet                                   Als ik een zeepaardje was

Is een uitgekiend gedicht                                Dan zouden vissen mijn vrienden zijn

Je ordent netjes en precies                             En geen mensen mij lastig vallen

Het mooie in een triolet                                   Als ik een zeepaardje was

Is dat alles klopt                                             Dan was de zee mijn land

 

 

KWINTIJN

Een kwintijn heeft vijf regels en de vijfde, laatste regel is een korte samenvatting van de inhoud van

de voorafgaande regels. De beginregel is meestal lastig. Begin met :  Ik ben …..  (iets uit de natuur, bijvoorbeeld : een sneeuwvlok, een eikenblaadje, een zonnestraal, een koolmees, e.d.) of met :

Ik wou dat ik een …. was (een voorwerp, bijvoorbeeld : een sleutel, een oorringetje, een euro, e.d.).

 

 

Ik ben de wind                                                           Ik wou dat ik een papiertje was

En fluit en dans door                                                  dan zouden er op mij worden geschreven

De takken van de bomen                                              mooie letters met een pen

Blaadjes dwarrelen door de lucht                                en werd ik een liefdesbrief 

Als ik kwaad ben, blaas ik bomen om                           Wanneer zal ik worden gelezen?